. . . Slachtoffers ‘Mijn pleegouders hebben mij mijn jeugd ontnomen’

ervaringsverhaal Ervaringsverhalen

Lees hier de ervaringsverhalen van slachtoffers. Deze verhalen zijn verzameld als vooronderzoek voor het onderzoek naar geweld in de jeugdzorg. 

info

‘Mijn pleegouders hebben mij mijn jeugd ontnomen’

Lees over de ervaring van Elisabeth (1952) in pleeggezinnen.

Lees Meer
info

‘Er was altijd een aanleiding om je te pakken te nemen’

Wim werd vanaf zijn 11e in verschillende internaten geplaatst.

Lees Meer
info

‘Die pleegouders moeten weten wat ze mijn kinderen hebben aangedaan’

Twee zoons van Tessa werden geplaatst bij pleegouders die hun handen niet thuis hielden.

Lees Meer
info

‘Ik zal hier niet aan kapot gaan’

Jos zat in de jaren 50 in twee kindertehuizen van dezelfde jeugdzorginstelling.

Lees Meer

‘Mijn pleegouders hebben mij mijn jeugd ontnomen’

Het verhaal van Elisabeth (1952)

Dit is een ervaringsverhaal uit het Rapport Commissie Vooronderzoek naar Geweld in de Jeugdzorg

Elisabeth (1952) is de tweede uit een gezin van zeven kinderen, drie meisjes en vier jongens. Haar vader zat regelmatig in de gevangenis – ze weet niet waarvoor – haar moeder was zwak begaafd en kon de opvoeding van de kinderen niet aan. Elisabeth verbleef anderhalf jaar lang in een kindertehuis en tot haar 20e groeide ze op in twee pleeggezinnen. ‘Mijn leven is pas begonnen toen ik het huis uitging.’ 

Toen de kinderrechter in 1954 besloot tot uithuisplaatsing van de kinderen De Vries betekende dat meteen het einde van het gezin. De kinderen gingen naar een tehuis en vandaaruit kwamen ze in verschillende pleeggezinnen terecht. Drie van hen werden geadopteerd. Elisabeth verliet het kindertehuis toen ze 1,5 jaar oud was. ‘Ik kon toen nog niet lopen. In het pleeggezin leerde ik dat binnen een week. Mijn vroegste herinnering dateert van mijn 4e. We woonden in een portiekwoning in de grote stad. Ik ruik nog de aparte geuren van het eten van de Indische mensen die er woonden en herinner me hoe de benedenbuurvrouw me limonade en koekjes aanbood voor mijn verjaardag. Er lagen drie koekjes klaar. Ik voelde me beledigd, want het was mijn vierde verjaardag.’ 

In dat jaar kreeg Elisabeth bezoek van haar biologische moeder. Haar pleegmoeder zei daarna tegen haar biologische moeder dat haar dochter door het bezoek zo van slag was geraakt, dat het beter zou zijn haar met rust te laten. ‘Daar kwam ik pas jaren later achter, het was een van vele leugens die nog zouden volgen.’ 

Wie ze wel regelmatig, in ieder geval jaarlijks te zien kreeg, was haar oudere zus. Die verbleef ook in een pleeggezin en haar pleegouders waren bevriend met die van Elisabeth. ‘Ze brachten ons bij elkaar op verjaardagen, maar dat was niet leuk, want mijn zus en ik hadden niets met elkaar.’

Eerste pleeggezin

Haar pleegouders hadden al een zoon van 13 jaar. Ze wilden nog graag een meisje, nadat de moeder enkele jaren daarvoor een miskraam had gehad van een tweeling. Dat meisje werd Elisabeth. De eerste jaren verliepen redelijk probleemloos. ‘Ik kon buitenspelen, mocht mee om boodschappen te doen en had op het balkon een leuk zandbakje. Toen ik 6 was, verhuisden we naar een eengezinswoning in een andere buurt. Je kon er ook buitenspelen, er was een grasveld, maar thuis werd het al een stuk minder leuk.’

Vooral haar pleegmoeder – ‘die had thuis de broek aan’ – begon steeds meer te gebieden, te verbieden en te straffen. ‘Als ik thuiskwam van school moest ik meteen naar de kruidenier of de afwas doen die er nog stond.’ Erger dan de verplichte werkzaamheden en de straf die er stond op het zogenaamd niet goed uitvoeren daarvan, vond Elisabeth de zinloze en onredelijke regels. ‘Zodra ik ‘s avonds in bed lag, mocht ik bijvoorbeeld niet meer naar de wc. Wanneer ik dan toch moest, deed ik dat heel zachtjes. Als ze het dan toch gehoord had, werd ik uitgescholden. Als ik ergens bij mensen logeer, vraag ik nu nog steeds of ze het erg vinden als ik er ‘s nachts een keer uit moet.’ 

Andere straffen die Elisabeth kreeg – zoals naar haar kamer gestuurd worden, niet naar een verjaardagsfeestje mogen of inhouden van zakgeld – kwamen in andere gezinnen ook wel voor. Wat haar het meeste dwars zat, waren de willekeur en onvoorspelbaarheid ervan. Meestal was de aanleiding voor een straf futiel of helemaal afwezig. Een voorbeeld: ‘Ik zat op schaatsles, dat was iedere zaterdag en dat vond ik leuk om te doen. Op vrijdag wist of bedacht mijn pleegmoeder altijd iets waarom ik niet gaan mocht, dan belde ze de schaatsclinics af. Ik werd wel boos of probeerde haar op andere gedachten te brengen, maar dat hielp niets. Meestal probeerde ik straf voor te zijn door de gedienstige Martha uit te hangen. Maar dat bood ook geen garantie.’

Het bleef niet bij verbieden en straffen. Er vielen ook klappen. Elisabeth: ‘Het geweld kon op de gekste momenten losbarsten, ze was onberekenbaar. Ik kreeg vooral klappen op mijn hoofd, dat waren echt heel harde klappen, ik probeerde weg te duiken. Ze sloeg me wel in aanwezigheid van de pleegvader, maar niet als er anderen bij waren. Hij had trouwens ook heel harde handen.’

Elisabeth kreeg keer op keer te horen dat ze een slecht, zondig kind was en zou ‘eindigen als haar vader’ als ze niet oppaste. ‘Ze waren gereformeerd en ik moest ‘s zondags een of twee keer naar de kerk. De dominee had het vooral over zonde. Dat trok ik me erg aan, ik bad dat ik niet in de gevangenis terecht zou komen. Ik moest altijd dankbaar zijn of excuses aanbieden zonder dat ik wist wat dat was.’ ‘Manipuleren, simuleren en chanteren was een tweede natuur van mijn pleegmoeder’, aldus Elisabeth. ‘Ze nam me vaak mee naar de dokter, zelf mankeerde ze zogenaamd van alles en dan verzon ze voor mij ook kwalen die ik helemaal niet had. Toen ik 12 of 13 was, vond ze me onhandelbaar en moest ik met een psychiater gaan praten. Dat vond ik wel fijn, het bood een uitlaatklep. Ik kon bijvoorbeeld vertellen dat me allerlei dingen verboden werden en dat ik straf en klappen tegen mijn hoofd kreeg voor het minste of geringste. Hij heeft ook een gesprek gehad met mijn pleegmoeder en haar gezegd dat zíj in behandeling moest gaan, niet ik. Daar is ze niet op in gegaan.’

De psychiater was niet de enige die twijfelde aan het zelfinzicht van Elisabeths pleegmoeder. ‘Op een keer was ze naar de huisarts geweest met allerlei klachten. Die gaf haar een verwijsbrief mee voor de specialist, die werd in die tijd nog dichtgeplakt. Ze stoomde die thuis open en las dat haar huisarts schreef: “Ze mankeert niets, maar wil u per se zien”. Omdat ze altijd ziektes simuleerde, geloofde ik het ook niet op momenten dat ze echt iets had.’ Uit verhalen van klasgenootjes leerde Elisabeth dat het er in andere gezinnen anders en vaak veel aangenamer aan toeging. Dat zag ze ook met eigen ogen. ‘Op de lagere school had ik een leuk vriendinnetje met wie ik naar haar thuis ging. Daar werden spelletjes gedaan, ik mocht mee-eten en mijn vriendinnetje en ik mochten zelf in de keuken iets maken. De vrijheid die je daar als kind kreeg en het plezier van samen iets doen, dat kende ik helemaal niet. Toen ik later met mijn pleegouders een weekje op vakantie zou gaan – dat was heel uitzonderlijk, want uitstapjes beperkten zich tot een autoritje – nodigden ze mijn vriendinnetje uit om mee te gaan. Maar die was daar heel benauwd voor. De dag voor vertrek lag er een brief dat ze niet mee kon, omdat ze ziek was. Dat was natuurlijk een smoesje. Dat heeft ze later ook toegegeven. Ze durfde niet mee, omdat ze mijn pleegouders zulke enge mensen vond. Ik kon haar geen ongelijk geven. Ik kan me herinneren dat ik een keer mee was op een kamp dat de voogdijvereniging had georganiseerd en dat ik het jammer vond dat ik weer naar huis moest. Op school waren er een paar leerkrachten die door hadden dat ik het thuis niet fijn had. De school was veilig voor mij. In de vierde of vijfde klas was er een juffrouw die me tussen de middag meenam. Na school ging ik niet graag naar huis, ik moest steeds denken “wat zal er nu weer gebeuren?”

Naast Elisabeth hadden haar pleegouders vaak nog een of meer pleegkinderen in huis. ‘Die waren er meestal kort, ze kwamen en gingen. Die kinderen waren meestal een stuk jonger dan ik. Ik vond het wel leuk. Met name met Paultje, een jongen met een verstandelijk beperking, bouwde ik een goede band op. Omdat mijn pleegmoeder de situatie thuis veel mooier voorspiegelde dan die in werkelijkheid was, kregen ze die kinderen steeds toegewezen. Die pleegkinderen, en dat geldt ook voor mij, kregen hun voogd of voogdes nooit onder vier ogen te spreken. Voor zo’n man of vrouw leek het een goed pleeggezin.’

De strenge regels, de straffen en de klappen werden Elisabeth langzaam te veel. De vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht die iedere adolescent wil veroveren, werden haar niet gegund. Toen barstte de bom. ‘Ik was 16 en wilde ik eindelijk wel eens een bh kopen. Dat mocht niet, als ik zonodig een bh moest, dan kon ik wel een oude van mijn pleegmoeder dragen. Dat vond ik natuurlijk stom en vernederend, er ontstond ruzie, mijn pleegvader sloeg me de trap af en ik ben weggelopen. Het was 7 februari 1967 en het was die dag vreselijk weer. Ik ging naar de zus van mijn pleegmoeder – die had ooit gezegd dat ik altijd bij haar en haar man terecht kon als het me thuis te veel werd – en die nam weer contact op met Petra en Paul, de pleegouders van mijn oudste zus.’

Tweede pleeggezin

Petra en Paul werden de nieuwe pleegouders van Elisabeth. Ze hadden zeven pleegkinderen en waren een soort gastouders, meestal voor kinderen van ongehuwde moeders. Ze bleken geen haar beter dan Elisabeths eerste pleegouders. ‘In het tweede gezin was minder geweld, al sloeg mijn pleegvader er wel eens op los. Wat ze deden was vooral de boel verzieken en je vernederen. Dat deed meer pijn, je werd als mens de grond in geboord; voortdurend benadrukten ze dat je minder was. In dat tweede pleeggezin zat ook mijn zusje. We hebben daar maar een jaar samen gezeten. We werden samen vernederd. Onze achternaam werd als scheldwoord gebruikt om aan te geven hoe minderwaardig ze ons vonden. Als ik een slimme opmerking maakte of iets ter sprake bracht uit het wereldnieuws, dan was het meteen: “Oh, mevrouw de professor weet het weer zo goed”. Dat eeuwige beledigen en traineren, dat was nog erger dan de klappen.’ Elisabeth kan daarvan nog vele voorbeelden noemen. Toen ze in 1971 haar havo-diploma behaalde, stuurden haar eerste pleegouders haar een bloemstuk. ‘Ik had toen al een tijd lang geen contact meer met hen. Van mijn nieuwe pleegouders mocht ik dat bloemstuk niet houden. Ze haalden het kaartje eraf en ik moest het toen naar een familielid van hen brengen die terminaal ziek in het ziekenhuis lag.’ Een ander voorbeeld: ‘Hun zoon kreeg voor de collecte ‘s zondags geld van zijn ouders, ik moest dat uit mijn zakgeld betalen, voor hem lag er een rol pepermunt klaar, voor mij niets.

Elisabeth werd door haar pleegouders ingezet als goedkope arbeidskracht. ‘Ik moest na schooltijd tien kilo oude kranten uitvouwen en daar papierrollen van maken. Hun zoon verkocht die aan marktkooplieden, ik kreeg niets van de opbrengst. Ik moest mijn eigen zakgeld verdienen. Op een gegeven moment werkte ik in bejaardentehuis, dat vond ik leuk, maar ik moest van het geld dat ik daar verdiende thuis het warme eten betalen. En op dat eten werd bespaard. We aten de hele week schol en lekkerbekjes die mijn pleegvader kreeg van een vriend die visboer was. Vies was dat. En ‘s ochtends kreeg je één plakje kaas. Tijdens de zomervakantie werkte ik vier weken in dat tehuis en moest ik drie weken lang de andere pleegkinderen verzorgen terwijl zij op vakantie gingen. Alles wat ik had of verdiende, werd afgepakt, ik was voor hen een goudmijntje. Aan de voogdes mocht ik niet vertellen dat ik vier weken weg was, want dan zouden ze geen pleeggeld krijgen. Ze namen het niet zo nauw met de regels en verdienden veel zwart. Tegelijkertijd waren ze heel kerkelijk en predikten over van alles hel en verdoemenis.’ ‘Mijn zus raakte zwanger in de periode dat ze bij hen woonde. Dat was natuurlijk een grote schande in zo’n gereformeerd gezin. Ze moest het kind afstaan en zelf het huis uit. Haar kind is in een pleeggezin terechtgekomen en later geadopteerd.’ Na het behalen van haar havo-diploma ging Elisabeth naar de bibliotheek- en documentatieacademie. ‘Uit een beroepskeuzetest bleek dat ik hbo-niveau had en toen heb ik bewust gekozen voor de kortste opleiding om snel weg te kunnen als ik aan het werk zou gaan.’

Op eigen benen

Toen ze op de academie zat, ergens in 1972 raakte Elisabeth overspannen en beleefde ze een soort psychose. Ze zag duivels op de muren en werd met verschijnselen van een ‘godsdienstwaanzin’ opgenomen in een crisiscentrum en doorgeplaatst naar een psychiatrische instelling. ‘Door het verblijf in die twee streng christelijke gezinnen met hun on-christelijke gedrag was er bij mij wat geknapt. Ik was een zielig vogeltje. In die inrichting zaten allerlei patiënten door elkaar. Ik herkende de situatie in de film en later het toneelstuk One Flew over the Cuckoo’s Nest. De arts daar was eindelijk iemand die vroeg hoe ik het thuis had. Gelukkig kreeg ik er bezoek, nadat een klasgenoot me op het terrein had zien lopen en dat op school verteld had. Ik heb er toen vier maanden gezeten.’

Inmiddels maakte Elisabeth zich steeds meer los van het pleeggezin. ‘In die tijd was ik het leven aan het inhalen. Ik werkte hard – had een baan bij Gist Brocades – feestte veel en was nog bezig met de godsdienst. Ik ging naar een Jeugd- en Bijbelkamp waar de tweede crisis ontstond. In het crisiscentrum sprak ik de arts toe in citaten uit Openbaringen. Die tweede opname heeft tien maanden geduurd. Gelukkig vond de personeelchef van Gist Brocades dat geen probleem, integendeel: hij zorgde ervoor dat ik iedere week bezoek kreeg van collega’s.’ ‘In de psychiatrische inrichting kreeg ik een relatie met een van de verplegers. Hij heeft me toen nog verhuisd naar mijn eerste kamer buiten het pleeggezin. Eigenlijk was ik daar nog niet aan toe, ik maakte wel allerlei plannen en dacht dat de wereld aan mijn voeten lag. Het duurde nog een paar jaar voor ik echt zelfstandig werd. In 1975 leerde ik mijn man kennen met wie ik drie kinderen zou krijgen.’ Haar verleden bleef Elisabeth nog een tijd lang achtervolgen. ‘In de tweede helft van de jaren zeventig heb ik een paar keer gesolliciteerd en steeds dook mijn psychiatrische dossier op wat voor mij direct verbonden was met mijn pleeggezinervaringen. Ik moest bijvoorbeeld gekeurd worden voor een baan, de keuringsarts begon voor te lezen uit mijn dossier en toen begon de hele kamer voor me te draaien. Ik werd teruggezogen in de tijd. Gelukkig zei ze toen: “Ik keur u goed, omdat u zo’n leuke moeder bent – ik had inmiddels een zoon en een dochter – en zulke leuke kinderen heeft”.’

Bijna alle contacten uit het verleden zijn nu verbroken. Van de godsdienst heeft Elisabeth al vele jaren geleden afstand genomen. Ze woonde de begrafenis van haar eerste pleegmoeder bij. ‘Dat heb ik dus wel netjes afgerond.’ Haar andere drie pleegouders zijn ook overleden. Met haar broers en zussen heeft ze geen contact. Haar vader zag ze twee keer nadat ze op haar 21e van de voogdes zijn telefoonnummer kreeg. ‘Dat was geen succes. Hij deed alsof er nooit wat gebeurd was en hing met de kinderen de leuke opa uit. Excuses voor het in de steek laten van ons, zijn gezin, heeft hij nooit aangeboden.’ Eind vorig jaar kreeg Elisabeth bericht van het overlijden van haar biologische moeder. ‘Ze is 87 geworden en liet me nog een aardig bedrag na. Ik moest huilen, toen ik het bericht las, huilen om alles wat ik als kind gemist heb.’ De enige die ze nog wel eens ziet is haar pleegbroer Paultje. Elisabeth koestert geen wrok meer, ‘ik ben ondanks mijn jeugd goed terechtgekomen. Mijn echte leven is pas begonnen toen ik het huis uit ging. Toen ik bij de huisarts kwam en zwanger bleek, zei zij “nu heb je je eigen leven, vanaf nu wordt het alleen maar beter”. Ze kreeg gelijk. Ik ben al 41 jaar gelukkig met mijn man, heb drie fantastische kinderen en leuk werk. Ik heb mijn kinderen alles willen geven wat ik zelf gemist heb. Ze hoefden nooit dankbaar te zijn, maar ze lieten blijken dat wel te zijn. Mijn pleegouders hebben mij mijn jeugd ontnomen. Mijn eerste pleegmoeder deed misschien wel haar best, maar ze faalde jammerlijk. Uiteindelijk ben ik er veel sterker uitgekomen, maar soms droom ik dat ik weer in een van die gezinnen zit, dat zijn geen fijne dromen.’ Dat er nu onderzoek wordt gedaan naar geweld in de jeugdzorg vindt Elisabeth een goede zaak, ‘al was het alleen maar dat je met de verhalen over hoe het eraan toeging anderen hetzelfde leed besparen kunt. Achteraf gezien vind ik het ergste dat jeugdzorg, de stichting waar ik toen onder viel, zo jammerlijk is tekortgeschoten. De verantwoordelijken hebben nooit signalen opgevangen of er nooit iets mee gedaan. Mijn pleegouders speelden mooi weer en mijn voogdes ging er in mee. Ik zag haar alleen bij het jaarlijkse kopje thee en nooit nam ze me apart en vroeg ze door. Ik heb nooit de kans gekregen om te zeggen: “Help! Haal me hier weg!”

Dit verhaal is opgetekend door Maurice van Lieshout en is één van de opgetekende verhalen die als bijlage opgenomen zijn in het vooronderzoek Geweld in de Jeugdzorg. De uitkomst van het vooronderzoek was dat het zinvol en haalbaar was om onderzoek te doen. Dat heeft geleid tot het onderzoek en rapport ‘Onvoldoende Beschermd‘.

Heb je een vraag?

Heb je een vraag over deze website of over de informatie die op de website staat? Neem dan contact met ons op.

Vergroot lettertype
Scroll naar top