. . . Professionals Kennisdossier Geweld in Jeugdzorg Module 3.2 kennisdossier

Lees verder over de gevolgen van geweld toen en nu:

Gevolgen van geweld als volwassene

De meeste slachtoffers die een melding hadden gedaan, hadden nu nog last van het geweld. Maar niet ieder kind dat geweld meemaakt, heeft daar op latere leeftijd last van.

Waarom ervaren sommige slachtoffers problemen in het latere leven, en andere niet?

Niet ieder kind dat geweld meemaakt, heeft daar op latere leeftijd last van. Of slachtoffers op latere leeftijd nog last hebben van wat er als kind is gebeurd, hangt vooral af van 4 dingen:

Iemand heeft meer kans om problemen op latere leeftijd te ervaren als het geweld vaak voorkwam of lang duurde. Ook als een kind veel verschillende vormen van geweld (fysiek, psychisch, seksueel) heeft meegemaakt, kan hij of zij later klachten krijgen. En als het kind vóórdat het bij jeugdzorg terecht kwam heftige gebeurtenissen had meegemaakt.

Een kind heeft minder kans om problemen te ervaren op latere leeftijd als het een hoge intelligentie heeft, of goede sociale vaardigheden heeft.

We weten dat het helpt om problemen te voorkomen als iemand steun krijgt van een partner, vrienden of familie. Ook als een kind een goede vertrouwensband heeft met een volwassene (niet de pleger) kan dit problemen helpen voorkomen of verminderen.

Niet iedereen, maar de meeste mensen hebben bij het meemaken van een heftige gebeurtenis (professionele) hulp nodig. Om erover te praten, om het te verwerken. Iemand die heftig en vaak geweld meemaakt, kan hier dan toch goed mee leren omgaan. Aan de andere kant kan iemand die éénmalig geweld meemaakt hier een leven last van kan hebben. Bijvoorbeeld omdat diegene niet op tijd hulp krijgt. 

Iedereen is anders en heeft dus ook andere hulp nodig. Ook het soort geweld verschilt en hoe iemand omgaat met dit geweld. Daarom is het belangrijk dat hulpverleners zoeken naar wat past bij die persoon. In module 4 lees je hier meer over.

Sommigen hadden weinig last

Een deel van de slachtoffers gaf aan weinig of geen last meer te hebben van het geweld. Sommigen zeggen dat ze er sterker van zijn geworden. Ook hebben zij dingen geleerd van hun tijd in de jeugdzorg. Zo hebben zij geleerd om altijd een oplossing te vinden. Ze hebben geleerd om te gaan met verschillende mensen. Ook was er een sterk groepsgevoel. 

Het leven in het internaat was hard, maar er heerste een enorm gevoel van saamhorigheid. Iedereen zorgde voor iedereen. Ik heb daar mijn zorgzame kant ontwikkeld en dat vind ik nog steeds een van mijn mooiste eigenschappen. Ik ben heel maatschappelijk betrokken en doe veel vrijwilligerswerk.’

Anderen weten het niet

Sommige slachtoffers weten niet of het geweld dat zij hebben meegemaakt hun problemen van nu veroorzaakt heeft. Anderen noemden dat zij al nare dingen hadden meegemaakt nog voordat zij in de jeugdzorg kwamen. Zij konden dit niet los van elkaar zien.

Slachtoffers die problemen ervaren in het latere leven

De meeste slachtoffers hadden op latere leeftijd last van het geweld dat zij als kind meemaakten. Hier maken we een onderscheid tussen psychische, lichamelijke, sociale en financiële problemen. Dit doen we omdat de hulpverlening klachten vaak op deze manier indeelt. 

In de praktijk gaan deze problemen vaak samen. Slachtoffers ervaren meestal een combinatie van deze klachten en problemen in het latere leven. Een slachtoffer van seksueel geweld kan bijvoorbeeld bang zijn om seks te hebben, maar ook lichamelijk pijn hebben tijdens de seks. Iemand die door psychische klachten een tijd niet in staat is geweest om te werken, kan financiële problemen hebben gekregen. 

Veel slachtoffers geven aan dat zij op latere leeftijd psychische problemen hebben door het geweld. Dat heeft vaak een grote invloed op iemands leven.

‘Als ik niet zo’n jeugd had gehad, had ik waarschijnlijk helemaal geen psychische stoornis gehad en had ik gewoon goed betaald werk gehad, ergens fijn kunnen wonen en normaal over straat kunnen gaan, hoogstwaarschijnlijk had ik net als anderen midden in de samenleving gestaan.’

Psychische klachten die genoemd zijn:

  • nachtmerries en slaapproblemen;
  • angsten (zoals faalangst);  
  • depressieve gedachten; 
  • snel boos worden of agressief zijn;
  • stress;
  • verward zijn.

Sommige slachtoffers ontwikkelen psychische stoornissen:

  • verslaving (drank, drugs, gokken);
  • posttraumatische Stressstoornis (PTSS);
  • burnout;
  • gedachten hebben aan zelfdoding of hiernaar handelen (suïcidaliteit).

Slachtoffers uit de blinden- en doveninternaten vertellen dat zij zich binnen hun eigen familie geïsoleerd en buitengesloten voelen, onder andere door communicatieproblemen maar ook door onderschatting van het geweld dat zij meemaakten. Over het algemeen noemen deze slachtoffers een gevoel van eenzaamheid. Er wordt niet altijd over het geweld gesproken, deels omdat men bang is nog steeds niet geloofd te worden. Daar komt bij dat praten over geweld en seksueel misbruik in de internaten nog steeds taboe is onder doven. Het is moeilijk om aan te geven wat er is gebeurd, ook in gebarentaal.

Boosheid en weinig vertrouwen

Slachtoffers hebben weinig vertrouwen in de overheid en de bestaande (professionele) hulp. Veel slachtoffers zijn boos dat niemand het geweld opmerkte en ingreep. Ze zijn boos op (gezins)voogdij, de kinderbescherming en jeugdzorg, overheden en uitkeringsinstanties.

‘Verder heb ik ook niet het idee dat ik opnieuw bij de hulpverlening terecht kan, mocht ik opnieuw in een dal geraken, gewoon omdat ik niet het gevoel heb dat ik op hen kan bouwen naar aanleiding van alles wat er tijdens mijn opname is gebeurd. Ik denk nog steeds, ook als ik een terugval heb: ‘alleen ben ik beter af dan met hen’. En eigenlijk is dat best erg, aangezien dat de mensen zijn die je zouden (moeten) kunnen helpen’

‘Omdat ik gewoon ernstig het idee heb dat hulpverleners, hoe leuk hun studie ook is die ze allemaal doen, laag of hoog niveau, niet snappen dat wat in de jeugd misschien kapot wordt gemaakt ook nog kapot is als je (leeftijd) bent. En dat je dus eigenlijk nog steeds, gelukkig in veel mindere mate, in heel veel situaties alleen maar aan het overleven bent.’

Rouw

Het meemaken van geweld heeft een groot deel van de kindertijd en jeugd van slachtoffers bepaald. Slachtoffers voelen het verlies van hun leven en mogelijkheden. Dit voelt als rouw. Ze hebben veel om te rouwen:  hun kindertijd, liefde en warmte, onderwijs, kansen, (medische) zorg, maar ook bijvoorbeeld fijne vakanties.

Het geweld veroorzaakte soms direct lichamelijke problemen. Zo noemt iemand vergroeiingen aan de voeten door het dragen van te kleine klompen. Een ander heeft een verschoven ruggenwervel door fysiek geweld, of een slecht gebit door verwaarlozing.

Volwassenen die als kind lichamelijk of seksueel geweld hebben meegemaakt of verwaarloosd zijn, hebben meer kans op lichamelijke ziekten. Dat blijkt uit onderzoek van de VU en het Trimbos-instituut. Deze klachten zijn bijvoorbeeld migraine, spijsverteringsklachten, of aandoeningen aan spieren, gewrichten of longen. De helft van de mensen met lichamelijk klachten had ook last van psychische klachten, zoals angst en depressie. Meer over dit onderzoek lees je op deze website van het Trimbos-instituut.

Andere lichamelijke klachten die slachtoffers noemen, zijn pijn in het lichaam (hoofdpijn, gewrichten), pijn bij seks, en hartproblemen.

Niet altijd zijn gevolgen van het geweld aan het lichaam direct zichtbaar. Ook op latere leeftijd kunnen lichamelijke klachten ontstaan. Bijvoorbeeld door langdurige stress of spanning.

Slachtoffers vertellen ook dat zij moeite hebben met de omgang met anderen. Vaak heeft dit te maken met zelfvertrouwen en het vertrouwen in anderen.

De slachtoffers geven aan last te hebben van:

  • minderwaardigheidsgevoelens;
  • weinig zelfvertrouwen;
  • afkeer van zichzelf;
  • eenzaamheid.

Ook hebben zij vaak als kind geleerd dat zij niemand konden vertrouwen. Dit kan een vriendschap of relatie aangaan moeilijk maken. 

Op dat gebied noemen de slachtoffers de volgende problemen:

  • moeite met emoties, relaties, liefde en vriendschap; 
  • weinig vertrouwen in anderen;
  • verlatingsangst;
  • moeite met (seksuele) relaties en het stellen van grenzen;
  • problemen met de opvoeding van de eigen kinderen;
  • moeite hebben met gezag of dingen doen die verboden zijn (delictgedrag).

‘Vriendinnen maken vond en vind ik heel, heel moeilijk. Als kind heb ik dat immers nooit geleerd. Als de nonnen vonden dat je te kameraadschappelijk met een ander meisje omging dan werd je hup uit elkaar gehaald. Op een gegeven moment probeer je het dan maar niet meer. Nu nog steeds kan ik andere vrouwen niet dichtbij laten komen. Ik ben vriendelijk tegen iedereen, maar het blijft heel oppervlakkig.’

‘Ik weet niet hoe ik iemand moet troosten, hoe ik om moest gaan met liefde. Het voelt enorm machteloos wanneer je dochter huilt en je weet niet hoe je haar moet troosten. Hoe lang moet je iemand knuffelen en wanneer stoppen. Ik kon geen affectie tonen. Dit is één warboel bij mij.’

Sommige slachtoffers zijn vanwege hun psychische, lichamelijke of sociale problemen in de ziektewet beland en konden langere tijd niet werken. Dit zorgde voor een gevoel van ‘niet meedoen’ en financiële problemen. 

Slachtoffers noemen hierbij:

  • moeite om ‘mee te doen’ in de maatschappij en verwachtingen;
  • afgekeurd worden voor werk;
  • schulden hebben, geen opleiding of werk hebben, te weinig geld hebben;
  • problemen met huisvesting, geen huis hebben of het huis moeten verkopen.

    ‘Het onderwijs bestond eigenlijk gewoon uit een klas volgegooid met allerlei opleidingsniveaus die voor zichzelf maar moesten leren. Ook hier werden de IVIO-diploma’s aangeboden, diploma’s waar in de buitenwereld eigenlijk naar gekeken werden alsof ze nep waren.’

De slachtoffers die zich gemeld hebben bij commissie De Winter melden psychisch, fysiek en seksueel geweld. Dit ging in totaal om 699 meldingen.

Zij vertelden over hoe het was om als kind geweld mee te maken, en welke gevolgen dat geweld op latere leeftijd had. De kinderen voelden zich machteloos. Ze konden vaak niks tegen het geweld doen. Ook waren zij bang voor het geweld. Dit kwam vooral door de onvoorspelbaarheid ervan. Ze gaven aan zich erg eenzaam te voelen. Ze konden de medewerker niet vertrouwen, maar ook de andere kinderen niet. De kinderen werden tegen elkaar opgezet of gedwongen elkaar te verraden of uit te lachen. De kinderen dachten vaak dat geweld ‘normaal’ was. En dat het hun eigen schuld was. Hierdoor schaamden zij zich voor zichzelf en het geweld.

Niet iedereen had op latere leeftijd nog last van wat zij als kind hadden meegemaakt. Of iemand op latere leeftijd problemen ervaart, hangt af van de aard en ernst van het geweld, hoe lang het heeft geduurd, bepaalde eigenschappen van de persoon, sociale steun en of zij (professionele) hulp hebben gekregen. Slachtoffers kunnen psychische problemen hebben, of zelfs psychische stoornissen ontwikkelen. Ook kunnen zij lichamelijke problemen krijgen, sociale problemen of financiële problemen. In de meeste gevallen gaat het om een combinatie van deze problemen. 

Scroll naar boven